Groote Schouwburg
In 1887 wordt de Groote Schouwburg aan de Aert van Nesstraat geopend, een weelderig neoclassicistisch gebouw met prachtige salons en 1250 zitplaatsen. Het zou niet misstaan in Parijs of Wenen. De initiatiefnemers Le Gras, Van Zuylen en Haspels leidden de Verenigde Rotterdamse Toneellisten. Het vooruitstrevende gezelschap speelde vooral nieuw Nederlands repertoire; de uitvoering van Multatuli’s Vorstenschool moet een hoogtepunt geweest zijn. Maar ook opzienbarende buitenlandse nieuwlichters durfden ze aan: Else Mauhs en Cor van der Lugt Melsert speelden Minnespel (Liebelei) van Arthur Schnitzler. Na de Eerste Wereldoorlog was de publieke belangstelling zo verminderd dat de groep alleen kon blijven bestaan door te fuseren met het Haagse Hofstadtoneel. Cor van der Lugt Melsert leidde die groep met een gelukkige mix van artistieke en zakelijke kwaliteiten. Ondanks de hit Boefje van de oer-Rotterdamse schrijver M.J. Brusse (in 1935 werd de vijhonderdste opvoering gevierd) wreekte zich in de economisch moeilijke jaren het verschil in cultuur tussen Rotterdam en Den Haag. De Rotterdammers herkenden zich steeds minder in de combinatie en in 1938 ging het Rotterdamsch-Hofstad Tooneel ter ziele. Rotterdam heeft dan geen stadsgezelschap meer en zou ook snel zijn schouwburg verliezen.
Veerkracht
Het bombardement van 14 mei 1940 vaagde het hart van Rotterdam weg, en daarmee het belangrijkste deel van de stedelijke infrastructuur. Het centrum lag in puin, en de grote banken en hotels liggen nu eenmaal in het centrum. Dat geldt nog in sterkere mate voor cultuurgebouwen; spreiding over de wijken zou pas later worden uitgevonden.
“De allerernstigste gevolgen van de vernielingen te Rotterdam zijn de ontwrichting van het stadsleven, vooral van het culturele, dat de stadsbevolking bijeen houdt en doet groeien en ontwikkelen, zodanig, dat nieuwe ontwikkelingen op allerlei gebied van de stad uitgaan. Het culturele leven in een stad is niet slechts gelegenheid tot genot voor inwoners en omwonenden, niet slechts prikkel tot verkeer, vertier en vertering, het is tegelijkertijd haard van economische ontwikkeling, basis voor industriële en commerciële bloei. […] Van die cultuurdragers moet het nieuwe leven komen, óók op economische gebied, want alleen alleen een cultureel mens heeft voldoende fantasie om nieuwe wegen in te slaan.” (Economisch-Statistische Berichten, 8 januari 1947).
Lukt het een stad zonder hart, met een bijna geamputeerd cultureel leven leraren, rechters en andere ambtenaren van kwaliteit aan zich te binden? Men maakte zich daar grote zorgen over. Rotterdam nam de cultuur als impuls voor stadsleven en economie serieus en sloeg met grote daadkracht anderhalf jaar na het bombardement al de eerste paal in de grond voor wat de noodschouwburg zou gaan heten: een gebouw, opgetrokken uit het puin van het bombardement. De architecten, vader en zoon Sutterland, woekerden met de beschikbare middelen. De heipalen hadden eerder een gesloopte kerk gefundeerd, een half miljoen afgebikte bakstenen werden hergebruikt, andere bouwmaterialen werden listig uit het zicht van de bezetters gehouden. Wel verdween er nogal wat bouwhout in de kacheltjes van kleumende Rotterdammers. In de oorlog werd ook tijdens de door de nazi’s afgekondigde bouwstop clandestien doorgewerkt en in 1947 stond er weer een schouwburg in Rotterdam, met duizend zitplaatsen. Niet geschikt voor de grotere producties, maar er kon weer gespeeld worden. Dat gebeurde op 10 januari voor het eerst, door een gezelschap met de toepasselijke naam START (Stichting Amsterdams Rotterdams Tooneel). Het plan was dat de noodschouwburg hooguit een jaar of twintig zijn functie zou vervullen; het zouden er veertig worden.
Stadsgezelschappen
Met evenveel energie werd ook de andere kant van het Rotterdamse theaterleven weer op poten gezet. Tijdens de oorlog werd de Stichting Rotterdamsch Tooneel opgericht. Ko Arnoldi krijgt de leiding over het nieuwe stadsgezelschap, waarbij Ko van Dijk memorabele rollen speelt (onder meer in Shakespeares Othello en Hendrik IV). In 1954 bloeit het toneel onder Ton Lutz. Hij maakt ruimte voor de eerste stukken van de jonge Hugo Claus (Suiker, Een bruid in de morgen). Nu nog denken mensen ontroerd terug aan de Cyrano de Bergerac van Guus Hermus. In 1962 nam Rob de Vries het stadsgezelschap over van Ton Lutz. Een hoogtepunt van zijn Nieuw Rotterdams Toneel is Hamlet met Eric Schneider in de titelrol. Na de dood van de Vries in 1969 en die van zijn rechterhand Richard Flink twee jaar eerder houdt John van de Rest de groep nog een paar jaar in de lucht, maar de jaren na de Aktie Tomaat zijn niet gunstig voor grote stadsgezelschappen. Kleinere Rotterdamse initiatieven hebben wel succes: het Onafhankelijk Toneel, F Act, Diskus (kollektief vormingstheater) en de Bloemgroep (vrouwentheater) trekken een nieuw publiek. Toch wordt er weer een stadsgezelschap opgericht, in 1977. Franz Marijnen gaat het RO Theater leiden, regisseert zelf spraakmakende voorstellingen en haalt internationale regisseurs naar Rotterdam. Gefrustreerd door het schrale culturele klimaat en de politieke besluiteloosheid – er werd al twintig jaar gepraat over een nieuwe schouwburg, maar daar bleef het bij – vertrekt Marijnen in 1983. Het jaar daarop valt dan eindelijk de beslissing. De ‘noodschouwburg’ wordt gesloopt en Jos Thie en Antoine Uitdehaag trekken tijdelijk in Hal 4 aan de Watertorenweg. Daar maken ze vitale voorstellingen als God (Woody Allen) en Merlijn of ’t Barre land (Tankred Drost). Op 15 april 1988 openen ze de nieuwe schouwburg met de opera Pol, naar het boek van Willem van Iependaal.
